Bijbellezingen


Geestelijke wapenrusting-avonden 2025-2026

Nadat we vorig jaar zeven avonden nadachten over de tabernakel – een onderwerp uit het Oude Testament – leek het me goed nu met u en jullie stil te staan bij een onderwerp uit de brieven van Paulus, het Nieuwe Testament dus. Het thema voor dit seizoen is: De geestelijke wapenrusting.  

Avond 1dinsdag 11  novemberde geestelijke strijd (Efeze 6: 10-13)
Avond 2dinsdag 25 novemberde gordel in de geestelijke strijd – Efeze 6: 14a
Avond 3dinsdag 9 decemberhet borstwapen in de geestelijke strijd – Efeze 6: 14b
Avond 4dinsdag 6 januaride schoenen in de geestelijke strijd – Efeze 6: 15
Avond 5dinsdag 20 januarihet schild in de geestelijke strijd – Efeze 6:16
Avond 6dinsdag 10 februari (datum gewijzigd!)de helm in de geestelijke strijd – Efeze 6: 17a
Avond 7dinsdag 24 februarihet zwaard in de geestelijke strijd – Efeze 6: 17b

Voor alle data geldt: zo de Heere wil en wij leven mogen.

De opzet is weer hetzelfde als vorig jaar. De aanvang is steeds 19.45u, er zal geen afzonderlijk vragengedeelte zijn en ook geen pauze tussendoor, maar wel gelegenheid om na afloop (ca. 21.00u) nog koffie te drinken en elkaar even te ontmoeten. Jongeren en ouderen, van binnen en buiten onze gemeente, hartelijk welkom!

___

Uit de verklaring van James Fergusson (1621-1667):

Efeze 6:15

En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes

Het derde stuk van de wapenrusting dat hier bevolen wordt aan te trekken, is de bereidheid van het Evangelie des vredes; dat wil zeggen: een voorbereid en vastberaden gemoedsgesteldheid om onze christelijke levensweg met opgewektheid en geduld te gaan, ondanks alle moeilijkheden onderweg. (Het woord dat vertaald is met bereidheid, wordt elders ook gebruikt voor een vaste besluitvaardigheid, zoals in Handelingen 21:13.) Deze vastberaden gezindheid wordt gewerkt en voortgebracht door de leer van het Evangelie, voor zover dat Evangelie het middel is om vrede en vriendschap te bewerken tussen God en zondaren. Daarom wordt dit stuk wapenrusting genoemd: de bereidheid van het Evangelie des vredes.

Nu gebiedt de apostel hen dat zij hun voeten met deze bereidheid geschoeid hebben; en daarmee maakt hij duidelijk dat dit stuk overeenkomt met dat deel van de lichamelijke wapenrusting dat men het been- of voetpantser noemde, dat tot doel had om de benen en voeten van soldaten te beschermen tegen koude, doornen, stenen en andere oneffenheden op de weg. Op gelijke wijze beschermt deze voorbereidende en vastberaden gezindheid om alle moeilijkheden te trotseren de ziel, niet alleen tegen de besmetting van vuile verzoekingen die men onderweg ontmoet (Psalm 119:105), maar spoort de christenstrijder er ook toe aan om alle kruiswegen, ontberingen en moeilijkheden met moed en opgewektheid door te gaan.

1. De christenstrijder moet zo in de strijd staan, dat hij tegelijk ook dagelijks vordert en voortgaat op zijn weg naar de hemel. Zijn plicht is in verschillende opzichten zowel te staan als te vorderen: hij moet weerstand bieden aan zijn geestelijke vijand, en tegelijkertijd voortgaan en groeien in de richting van Christus, de volmaaktheid in de genade, en het einddoel van zijn pelgrimsreis. Ja, hoe standvastiger hij weerstand biedt aan de ene kant, des te sneller vordert hij aan de andere kant; want de apostel, die hen in vers 14 heeft vermaand om stand te houden, geeft hier tegelijk aan dat zij ook moeten voortgaan, wanneer hij hun gebiedt om het voet- of beenpantser van vastberadenheid aan te trekken — een stuk wapenrusting dat vooral nuttig was voor soldaten die onderweg waren: En de voeten geschoeid hebbende…

2. De weg waarop de christenstrijder voorttrekt naar de hemel is niet effen en glad, of vrij van moeilijkheden en gevaar, maar ligt bezaaid met verzoekingen en verdrukkingen, als met scherpe stenen, stekelige distels en doornen — zaken die een weg onbegaanbaar maken voor blootsvoets reizenden. Want er was alleen behoefte aan dat voetpantser waar zulke omstandigheden zich voordeden: En de voeten geschoeid hebbende…

3. Daarom moet de christenstrijder zich wapenen met een vaste en goed gefundeerde vastberadenheid en gezindheid om alle moeilijkheden te trotseren, hoe kostbaar hem dat ook zal komen te staan. Dit is een ander noodzakelijk stuk van de christelijke wapenrusting. Zonder dit zijn wij blootgesteld en weerloos tegenover verschillende dodelijke slagen en gevaarlijke verzoekingen van onze geestelijke vijand — met name al die moeilijkheden en kruisen die een onvoorbereid hart gemakkelijk en gewoonlijk doen bezwijken, zoals:

  • ongeduld (Genesis 30:1),
  • morren tegen de Heere (Jona 4:9),
  • een wraakzuchtige geest jegens mensen die als instrument gebruikt worden (2 Samuël 16:9),
  • moedeloosheid in onze plicht (Hebreeën 12:12),
  • het aangrijpen van zondige middelen om uitkomst te verkrijgen (1 Samuël 28:7),
  • wanhoop aan enige uitkomst (1 Samuël 27:1),
  • twijfel aan onze verhouding tot God vanwege het kruis (Richteren 6:13), enzovoort.

Want de apostel gebiedt de christenstrijder om zich te wapenen met zulk een voorbereide en vastberaden gemoedsgesteldheid: En de voeten geschoeid hebbende met de bereidheid…

4. Niet elke vastberadenheid en goede bedoeling zal het hart beschermen tegen deze zojuist genoemde slagen en verzoekingen, maar alleen die vastberadenheid die voortkomt uit de blijde boodschap en de verkondiging van vrede en vriendschap die door God met ons gesloten is. Al onze andere voornemens zullen uiteindelijk uitgeput en gebroken worden door voortdurende kruisen en moeilijkheden (Jesaja 40:30). Maar de christen die met deze vastberadenheid is gewapend, volhardt tot het einde, in de wetenschap dat God zijn Vriend is (Psalm 23:4), dat er geen toorn in zijn beker is (Jesaja 53:5), en dat zijn vermoeiende reis uiteindelijk een zalig einde zal hebben (Hebreeën 4:9). Want de apostel gebiedt hen om een zodanig voorbereid gemoed aan te trekken dat voortvloeit uit de verkondiging van hun vrede met God, wanneer hij het noemt: de bereidheid van het Evangelie des vredes.

5. Alleen het Evangelie is die leer die vrede brengt tussen God en rebellen. De wet openbaart wel de vijandschap (Romeinen 3:20), maar het Evangelie laat niet slechts zien dat vrede en vriendschap mogelijk zijn (Lukas 2:14), maar ook op welke voorwaarden deze verkregen wordt (Romeinen 5:1). Ja, en door de prediking van het Evangelie werkt de Heere ons ertoe om deze voorwaarden te aanvaarden (Romeinen 10:14, 15, 17). Want de apostel schrijft de totstandkoming van onze vrede met God toe aan het Evangelie, wanneer hij het noemt: het Evangelie des vredes.

6. Waar het Evangelie door God gezegend wordt tot het tot stand brengen van vriendschap en vrede, zal het in allen bij wie het zo gezegend wordt, gepaard gaan met een vaste en standvastige voornemen om God te volgen op de weg van de plicht, ondanks alle moeilijkheden en ontberingen. Want hij verbindt het aantrekken van deze voorbereide gemoedsgesteldheid rechtstreeks met de vrede die door het Evangelie met God is gemaakt, als hij zegt: En de voeten geschoeid hebbende met de bereidheid van het Evangelie des vredes.

Efeze 6:16

Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.


Het vierde onderdeel van de geestelijke wapenrusting, dat met nadruk wordt aanbevolen boven alle andere, is de genade van het geloof. Door dit geloof aanvaarden wij in het algemeen de waarheid van Gods Woord (Hand. 24:14). Maar op bijzondere wijze ontvangen wij door dit geloof ook Christus Zelf (Joh. 1:12), en steunen wij op Hem (Jes. 26:3), zowel voor genade in dit leven (Filipp. 4:13) als voor heerlijkheid hierna (1 Tim. 1:16), zoals Hij ons wordt aangeboden in het Evangelie (Gal. 2:16).

Deze genade komt overeen met dat onderdeel van de lichamelijke wapenrusting dat een schild wordt genoemd: een breed, groot en stevig voorwerp, doorgaans van metaal, dat – goed gebruikt – het hele lichaam beschermde. Het vulde zwakke plekken in andere delen van de wapenrusting aan en bood dekking tegen allerlei aanvallen van de vijand.

Zo is ook het geloof een genade van ruime werking. Het biedt hulp aan de ziel in al haar verschillende omstandigheden (Hab. 2:4). Het versterkt en vult aan wat ontbreekt aan andere genadegaven (Hand. 15:9), en beschermt tegen verzoekingen van allerlei aard (Mark. 9:23). In het bijzonder, zoals de apostel hier zegt, dooft het geloof de vurige pijlen van Satan – dat wil zeggen: zijn felle en doordringende verzoekingen, waardoor de ziel wordt aangezet tot brandende hartstochten of tot razende wanhoop.

Het geloof stoot deze verzoekingen niet alleen af voordat zij de ziel kunnen binnendringen, maar dooft ook de hitte, pijn en angst die ze veroorzaken wanneer de ziel erdoor verwond wordt. Al deze dingen doet het geloof niet uit eigen kracht, maar door de kracht van Christus, Die het aanneemt. De macht en verdienste van Christus, werkzaam gemaakt door het geloof, blussen de gloed van brandende lusten, van opvlammend ongeduld, van angst en wanhoop – alles wat deze vurige pijlen aansteken in het hart waarin zij neerkomen en worden ontvangen.


Lessen (Learn)

  1. Dienaren van de Heere behoren de volle raad van God aan Zijn volk bekend te maken (Hand. 20:27). Want er is geen waarheid geopenbaard in de Schrift die niet nuttig is – hetzij voor het geestelijk bestaan, hetzij voor het welzijn van de christen, hetzij als noodzakelijk voedsel of als sieraad (2 Tim. 3:16–17). Toch moeten zij vooral die waarheden op het hart drukken die noodzakelijk, gewichtig en van dagelijks belang zijn – met name de fundamentele waarheden die voortdurend toegepast moeten worden. Zo beveelt ook de apostel, wanneer hij de geestelijke wapenrusting aanprijst, één onderdeel met bijzondere nadruk aan: Bovenal, aangenomen hebbende het schild des geloofs.
  2. Het geloof is een onmisbaar onderdeel van de christelijke wapenrusting. Zonder dit geloof missen wij de gerechtigheid van Christus die ons wordt toegerekend (Filipp. 3:9). Daardoor staan wij bloot aan de slagen van Gods rechtvaardigheid die de zonde vervolgt (Joh. 3:36), en aan de scherpe aanklachten van de duivel, onze aanklager (Rom. 8:33). Ook hebben wij dan geen deel aan de kracht die Christus in het verbond toezegt – kracht die alleen werkzaam wordt wanneer zij door het geloof wordt aangegrepen (Joh. 15:4–5). Wie deze genade niet beoefent, is weerloos tegenover elke verzoeking, en in het bijzonder tegenover de vurige pijlen van Satan die hier worden genoemd. Dan moeten we het doen met eigen kracht – en dat is in feite geen kracht (Joh. 15:5). Daarom gebiedt de apostel: Bovenal, aangenomen hebbende het schild des geloofs.
  3. Van alle onderdelen van de geestelijke wapenrusting is het geloof het meest voortreffelijk en noodzakelijk. Want al is het geloof op zichzelf zwak en onvolmaakt (Luk. 17:5), het grijpt de beloften aan en roept daarmee de almachtige kracht van God en Christus in (Matth. 15:28). Het geloof geeft leven, bestaansrecht en kracht aan alle andere genadegaven, vooral aan de heiligmakende werkingen van Gods Geest (Hand. 15:9; 1 Tim. 1:5). Het dekt al onze tekortkomingen met de volmaakte gerechtigheid van Christus (Filipp. 3:9), en beschermt daarmee tegen de listige of heftige aanvallen van Satan, die ons ertoe wil brengen onze genadegaven als schijnheilig, onecht en nutteloos weg te werpen (Klaagl. 3:18). Het geloof brengt ook telkens nieuwe kracht uit Christus aan de andere genadegaven, als zij verzwakt of verwond zijn (Jes. 40:31). Ja, het geloof alleen bewaart de gelovige soms voor het totaal opgeven, als de andere genadegaven bezwijken, verstoord raken, verdwijnen of tijdelijk onbruikbaar zijn (Job 13:15). Daarom zegt de apostel: Bovenal, aangenomen hebbende het schild des geloofs.
  4. Satans grote doel is het geloof uit de hand van de gelovige te wringen. En dat doet hij juist vanwege de kracht en het nut ervan. Hij slaagt er vaak in om het gebruik van dit geloof te belemmeren. Daarom moet het onze eerste zorg zijn om het geloof dagelijks te oefenen. En wanneer wij het verloren hebben of hebben laten liggen, moeten wij het onmiddellijk weer ter hand nemen. Het Griekse woord dat met aangenomen hebbende is vertaald, betekent namelijk: weer aannemen wat verloren is gegaan. Bovenal, aangenomen hebbende het schild des geloofs.
  5. De christen moet nadenken over de waarde en het nut van elke genadegave – en in het bijzonder van het geloof – opdat hij ernaar zou verlangen en het gebruiken. Wij moeten eerst de waarde van de genade zien, voordat wij er moeite voor zullen doen. Daarom wijst de apostel op het nut van het geloof om ons aan te sporen het te gebruiken: met hetwelk gij al de vurige pijlen zult kunnen uitblussen.
  6. Hoewel de duivelen met velen zijn (vers 12), zijn zij toch volkomen één in hun boosheid, en werken zij samen onder één hoofd, hun vorst (Matth. 12:24, 26). Daarom spreekt de apostel in het enkelvoud over de vurige pijlen des bozen.
  7. Satans grote werk is om mensen tot zonde en goddeloosheid te brengen. Daarvoor gebruikt hij verschillende soorten verzoekingen, afhankelijk van het soort zonde waartoe hij verleidt en van de aard van degene die hij verzoekt. Hij heeft niet alleen listige plannen (vers 11), maar ook vurige pijlen: hetzij van brandende begeerten, hetzij van verscheurende wanhoop. Deze werpt hij van een afstand, met grote snelheid en kracht, zodat zij lijken op echte pijlen: al de vurige pijlen des bozen.
  8. Onder alle verzoekingen die Satan gebruikt om zijn verderfelijk werk te verrichten, zijn de vurige pijlen het moeilijkst te weerstaan en het gevaarlijkst als men eraan toegeeft. Zij veroorzaken een dubbele schade: zoals echte vurige pijlen zowel verwonden als verbranden, zo verontreinigen deze verzoekingen niet alleen de ziel met schuld, maar brengen zij haar ook in onrust door hun geweld (Hos. 7:4). Of zij vullen de ziel met angst en wanhoop (Gen. 4:13). Dat het geloof deze pijlen dooft, toont aan dat zij zowel moeilijk te weerstaan als bijzonder gevaarlijk zijn: met hetwelk gij al de vurige pijlen zult kunnen uitblussen.
  9. Hoe krachtig het geloof ook geoefend wordt, het kan niet verhinderen dat Satan deze vurige en scherpe verzoekingen werpt. En het stoot ze ook niet altijd direct af. Soms dringen zij de ziel van de gelovige binnen. Als zij daar brandstof vinden, steken zij een verwoestend vuur aan. Want als de apostel zegt dat het geloof ze dooft, dan is daarmee gezegd dat ze soms eerst branden voordat zij geblust worden: gij zult kunnen uitblussen al de vurige pijlen.
  10. Het geloof doet niet alleen dienst als verdedigend schild, maar heeft ook genezende kracht. Het geneest de diepe wonden die de ziel oploopt in deze geestelijke strijd – hetzij door de kracht van de verzoeking, hetzij door nalatig gebruik van andere genadegaven. Het is een schild dat tegelijk verdedigt én geneest: gij zult kunnen uitblussen al de vurige pijlen des bozen.
  11. Er is geen geestelijke ziekte of wond zo diep, geen zonde zo heersend in de ziel, of de genade van het geloof – mits zij op de juiste wijze gebruikt wordt, in het aanvaarden van de verdienste en kracht van Christus’ dood – is voldoende om die te genezen en te overwinnen. Ja, het geloof geneest niet slechts één zonde of verwonding, maar al de vurige pijlen die de boze afschiet: al de vurige pijlen des bozen.

Dagtekst

Lucas 7:47

Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

ANBI | © 2024 CGK Katwijk. Alle rechten voorbehouden.