Middagdienst Eerste Paasdag
Psalm 118: 12
Psalm 16: 5
Psalm 40: 5 en 8
Psalm 25: 7
Psalm 3: 2
Schriftlezing: Johannes 20: 1-10 en Lukas 24: 32-35
Tekst: Johannes 20: 3, 6-7, 10
Thema: Petrus op Paasmorgen:
[1] zijn gang naar het graf (3);
[2] zijn blik in het graf (6-7);
[3] zijn terugkeer van het graf (10)
Vragen
1. Welke boodschap heeft Maria Magdaléna aan Petrus gebracht? Waarom zegt de tekst alleen dat ze dít gezegd heeft? Er was toch meer te vertellen?
2. Volgens een Schotse Bijbeluitlegger moeten wij altijd gebruik maken van een woord dat wij over Christus horen. Welk woord hoorde Petrus en hoe maakte hij er gebruik van? Bent u het ermee eens, dat wij altijd gebruik dienen te maken van een woord over Christus? Op welke verschillende manieren zouden we dat kunnen doen? Kan het ook op een verkeerde manier?
3. Wie liep er sneller, Petrus of Johannes? Waarom is dat opvallend? Kunt u / jij begrijpen, dat Petrus minder snel liep?
4. Wat zag Petrus allemaal toen hij blikte in het graf van de Heere Jezus? En hoe maakte alleen dat tafereel al duidelijk, dat de Heere Jezus echt is opgestaan?
5. Wat is er tijdens Petrus’ terugkeer van het graf gebeurd? Waarom weten we daar zo weinig van?
Ter bezinning
Hoewel allen die enig bericht omtrent Christus ontvangen, verplicht zijn daarvan gebruik te maken, en het hun tot schuld gerekend wordt wanneer zij dat niet doen, kunnen toch in zekere zin alleen zij geacht worden werkelijk aangesproken te zijn die er gebruik van maken; voor anderen is het gesproken woord als tevergeefs (Jeremia 8:8). Daarom wordt hier alleen gezegd dat zij kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, omdat zij enig gebruik maakten van haar bericht. (George Hutcheson)