Ochtenddienst (voorbereiding Heilig Avondmaal)
Psalm 25: 3
Psalm 17: 3
Psalm 130: 1 en 2
Psalm 86: 3
Psalm 139: 14
Schriftlezing: Psalm 130
Tekst: Psalm 130: 1-4
Thema: Het gebed van een pelgrim onderweg:
[1] een gebed uit de diepten;
[2] een gebed in verbrokenheid;
[3] een gebed om vergeving
Vragen
- De dichter roept vanuit ‘de diepten’. Welke diepten worden daarmee bedoeld?
- Kunt u / jij voorbeelden van mensen uit de Bijbel geven, die uit de diepten tot de Heere riepen?
- Hoe noemt de dichter zijn zonden in vers 2? En waarom zegt hij niet ‘mijn ongerechtigheden’, maar ‘de ongerechtigheden’?
- Wat bedoelt hij met ‘zo Gij de ongerechtigheden gadeslaat’?
- Hoe moeten wij onze ongerechtigheden overdenken?
- Wat zegt de dichter met ‘maar bij U is vergeving’? Hoe wist hij dat?
- Waar had de dichter Gods vergeving voor nodig? En u / jij, hebt u Gods vergeving nodig? Waarvoor?
Citaat van George Hutcheson
‘En – ten vijfde – opdat u deze uitspraak gevoelig zult kunnen nazeggen (Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheid gadeslaat, wie zal bestaan?) beveel ik u aan de bijzonderheden van het lijden van onze gezegende Heere te overdenken. Bedenk: als zulke dingen aan het groene hout gedaan werden, wat zal dan aan het dorre gedaan worden?
En daar zal een mens die enig besef van zonde heeft, de vreselijke verdienste van de zonde lezen, wanneer hij overweegt dat de toorn over de zonde Hem deed uitroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Overweeg ook hoe Zijn heilige natuur die beker verafschuwde en Hem ertoe bracht te bidden dat die van Hem mocht voorbijgaan. Overweeg hoe die toorn Hem in Zijn strijd deed zweten als grote droppelen bloed.
Wanneer u naar de verdienste van de zonde oordeelt vanuit dat alles, zult u dan stilstaan en gevoeliger bedenken dat u niet zult kunnen bestaan voor God wanneer Hij de ongerechtigheid aanmerkt. Want indien zulke dingen gedaan werden aan het groene hout, toen Zijn heilige menselijke natuur zoveel leed, terwijl zij ondersteund werd door Zijn Goddelijke natuur, wat zal dan aan u gedaan worden, die buiten Hem een dorre boom bent?
Als God deze dingen krachtig tot uw hart zou spreken, zou u het oordeel onderschrijven dat Salomo geeft in Spreuken 14:9: dat dwazen met de zonde spotten. Ja, u zou erkennen dat zij waanzinnig zijn die onder de schuld van de zonde liggen en toch rust kunnen nemen in zichzelf…
Ik zou niemand van u van Christus willen wegdrijven. Als iemand van u zijn behoefte aan een Zaligmaker gevoelt, kom dan toch; Hij wacht om u te ontvangen. Maar leg een vaste grondslag. Maak uzelf meer bekend met de zondigheid van de zonde, met wat de zonde verdient, en met de onmogelijkheid om voor God te bestaan wanneer Hij de zonde aanmerkt naar strikte gerechtigheid. Dan zult u Christus in waarheid aannemen’.