Ochtenddienst (bediening Heilig Avondmaal)
Psalm 89: 19
Psalm 65: 1 en 2
Psalm 130: 3
Psalm 27: 3
Psalm 25:
Psalm 52: 7
Schriftlezing: Leviticus 4: 27-31 en Psalm 130
Tekst: Psalm 130: 5-6
Thema: Een hopende pelgrim:
[1] een hart dat verlangt naar vergeving;
[2] het Woord dat spreekt van vergeving
Vragen
- Wat de dichter van Psalm 130 nodig heeft (vers 4), wordt door Calvijn ‘tweelinggenade’ genoemd. Wat wordt daarmee bedoeld?
- Hoe maakt het voorbeeld van het kleine weesjongetje in de straten van Londen duidelijk, wat de psalmdichter in de eerste verzen van Psalm 130 doet?
- Wat betekent het woord ‘verwachten’ in de tekst? Herkent u die verwachting in uw eigen hart?
- Als de dichter zegt: ‘Ik verwacht de HEERE’, is het hem om een antwoord te doen. Waarop wil hij zo graag een antwoord hebben?
- ‘Ik hoop op Zijn Woord’. Aan welk Woord denkt de pelgrim hier heel bijzonder?
- Wat er gebeurde er in de tabernakel of tempel allemaal bij het altaar? En hoe wijst dat naar de Heere Jezus?
- Wat is de overeenkomst tussen wat er gebeurde bij het brandofferaltaar en het Heilig Avondmaal?
Citaat ter overdenking:
‘Zij die zich bewust zijn van hun buitengewone onwaardigheid, die in hun eigen ogen slechts dode dingen zijn, en die denken dat de kruimels die van de tafel der kinderen vallen nog te veel voor hen zijn, mogen verwachten in God een verheffing van barmhartigheid te vinden voor buitengewone onwaardigheid, doordat Hij Zich tot hen neerbuigt en hun genadig en barmhartig is. Ja, zij die weinig of niets van zichzelf hebben, als zij zich daarvan bewust zijn en aan de Fontein liggen om voorziening te ontvangen, mogen des te meer van Hem verwachten naarmate zij minder van zichzelf hebben. Hoe zwakker zij zijn, des te meer zal Zijn kracht in zwakheid volbracht worden. Hoe onwetender zij zijn, en als beesten voor Hem, des te meer mogen zij verwachten dat de wonderlijke Raadsman de leiding en besturing van hen op Zich neemt’. (ds. George Hutcheson)