JEZUS’ DOOP
Toen kwam Jezus van Galiléa naar de Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden. Mattheus 3 : 13
Door Johannes werden zondaren gedoopt in de Jordaan. Dat zijn degenen, die belijden moeten dat het niet helpt om een nauwgezette farizeeër te zijn of een voorname sadduceeër, want zij moeten allen erkennen dat zij niets hebben om voor God te kunnen bestaan. Schuldig, schuldig aan al de geboden Gods. Niet één blijft er over, die de bekering niet van node heeft. Daarom doopt Johannes hen met de doop der bekering.
Maar nu komt Jezus daar ook om gedoopt te worden. En dat is voor Johannes teveel. Voor de eerste maal weigert hij nu om de doop te bedienen. Christus heeft immers de afwassing der zonde niet nodig? Johannes vindt, dat het eerder omgekeerd zal moeten. Hij moet door Jezus worden gedoopt in plaats van Jezus door hem. Wat groot, dat deze scherpe boeteprediker, die niemand ontzag, zichzelf ook een zondaar gevoelde en dat hij daarom naast zijn dopelingen kon staan in plaats van er boven. Het helpt echter niet of hij de doop aan Jezus al weigert, want Hij, Die Zelf de doop niet nodig had, wilde toch niet gerekend worden bij de negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben. Hij stelt zich niet boven, maar onder de mensen en dat is nog zoveel groter dan dat Johannes zichzelf ook rekent tot hen die gedoopt moeten worden, want Johannes was inderdaad ook zelf een zondaar, maar Deze, Die Zich nu onder het water liet dompelen, Hij heeft nooit één zonde gehad of gedaan.
Johannes begrijpt het niet. Het is ook onbegrijpelijk. Er is niemand, die dat begrijpen kan. Want denk eens in, dat Johannes als de heraut van de Koning terecht gepredikt heeft, hoe de bijl reeds aan de wortel der boom gereed lag om neer te vellen. En nu de Koning komt waar Johannes dat predikt, nu zou er toch niets anders te verwachten zijn dan dat Hij de bijl zou opnemen om de slag rechtvaardig toe te brengen. Dat had Johannes eerder verwacht, en een zondaar voor God heeft voor zichzelf ook geen betere verwachting.
Maar Christus houdt aan bij Johannes om gedoopt te worden. En ziet, daar gaat Hij onder in het water van de Jordaan, gelijk met alle andere zondaren, in datzelfde water. Hij daalde met hen af, Hij werd hun gelijk, Hij werd dezelfde. Is dat niet een onbegrijpelijke liefde? Ten enenmale onpeilbaar, want er was niets en nog eens niets, dat Hem verplichtte om Zichzelf zo diep te vernederen.
Lag de bijl aan de wortel, dan had Hij nu hier kunnen verschijnen om die bijl op te nemen. En in plaats daarvan komt Hij onder degenen, die de doop van Johannes begeren. Dat wil zeggen: Hij komt ook Zelf onder het oordeel om alzo de gerechtigheid Gods te vervullen. Om de ongerechtigheid op Zich te nemen. Dat is, om Zelf het hoofd te buigen onder de bijl, die Johannes bij de wortel had neergelegd. Nogmaals onbegrijpelijk. Zelfs de wegbereider kan er niet bij.
En toch wordt dit onbegrepen genadewonder onmisbaar voor degenen, die de doop van Johannes nodig krijgen. Want nu is het wel groot, dat ge hebt leren toestemmen om in uw doop onder te gaan en begraven te worden in uw eigen gedolven zondegraf onder de schuldprediking van Johannes de Doper, maar de belijdenis van zonde kan uw schuld niet vergeven en daarom is de ondergang in uw doop nog geen opgang uit het graf der zonde. Maar zie, o zondaar, zie, daar komt Jezus ook Zelf naar Johannes om gedoopt te worden. Hij komt Zelf. Het Lam Gods. Want Hij weet het, dat een beleden schuld de zaligheid niet brengen kan. En Hij daalt neer in datzelfde water en onder de zelfde mensen om door Zijn eigen dood en graf hun schuld te verzoenen, om ze daarna met Hem te verhogen tot in de hemel voor God de Vader. Dat wordt nu de betekenis van Zijn doop. O, zalige beleving. Zo wordt de doop van Johannes de poort tot het Evangelie. Niet dus omdat er zoveel mensen hun schuld beleden. Dat is wel nodig. Het kan niet anders. Denk er om. Maar vooral omdat Jezus Zelf tot Johannes is gegaan om gedoopt te worden.
Ds. F. Bakker
Bron: Het eeuwige woord – Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)
Kerkblad januari 2026
UW WEG OP DE HEERE GEWENTELD
‘Wentel uw weg op de Heere en vertrouw op Hem; Hij zal het maken’ Psalm 37
Een nieuw jaar
Wij vliegen daarheen! Dat hebben wij ook in het voorbijgesnelde jaar weer ondervonden. Het is haast niet te geloven, dat nu alweer een jaar wegzonk in de grondeloze diepte van de eeuwigheid. Wij kunnen het ons haast niet voorstellen, dat wij nu weer een nieuw jaar intreden.
Wat zal dat nieuwe jaar ons brengen? De vragen kunnen worden vermenigvuldigd, maar niet worden beantwoord. Over de toekomst hangt een sluier. Maar dít weten wij wel, dat degene die door genade mag beoefenen wat David hier in Psalm 37 zegt: ‘Wentel uw weg op de Heere en vertrouw op Hem’, het zal ondervinden in dit nieuwe jaar dat zo donker begint, dat ‘de Heere het maken zal’.
Uw weg
Wentel uw weg op de Heere! Met ‘uw weg’ bedoelt David: heel ons leven, met al zijn omstandigheden, niets achtergehouden, zelfs geen zonde. Wij moeten heel die weg als een zware last op de Heere wentelen, in voorspoed zowel als in tegenspoed. Als ziekte ons deel wordt, als wij veel moeten lijden. Als de toestand van iemand die u dierbaar is, u verdriet geeft. Als u in rouw gedompeld wordt. Als bange zorg u pijnigt: de bekommernis over de zaak van ons land en volk, de vrees voor oorlogen en gerichten, de zorg over de afval en het ongeloof, over het onrecht dat heerst en de onvrede die woelt, de zorg voor Gods Koninkrijk en het heil voor uw ziel en dat van Sion.
Dat alles moeten wij wentelen op de Heere. Dat is: die weg van zich afwerpen op God en dat doen met vertrouwen op Hem.
De onmacht van ons hart
Nu is het een groot voorrecht om onze weg op de Heere te mogen wentelen. Toch is het, wel beschouwd, zo moeilijk. Want van nature voelt de mens daaraan geen behoefte. Wij willen onszelf helpen met voorbijlopen van de Heere, onze God. Onszelf handhaven, want wij zijn zo wijs en zo sterk. Wij spreken wel over de Heere, maar in de praktijk kunnen wij Hem missen.
Wij zitten er vol van, en het is louter ontferming als het anders mag zijn. Daarom kan deze vermaning om onze weg op Hem te wentelen niet zonder meer opgevolgd worden. Maar ze moet ons leren in te keren in eigen hart om te bekennen dat wij zo ongelovig zijn, zo vol van wantrouwen, ja, dat in ons vlees geen goed woont. Om dan, ontdekt aan ons onvermogen, als een weet-niet en kan-niet, wenend met al onze ellende en ongerechtigheden, met onze noden en behoeften, te vluchten tot de Heere.
De Heere lokt ons dan Zelf uit: ‘Wentel uw weg op Mij en vertrouw op Mij!’
In stilheid en vertrouwen
Zalig dan alles, voor tijd en eeuwigheid, voor lichaam en ziel, ja, onszelf op Hem te mogen werpen door de kracht van het geloof en ons zó aan Hem toe te vertrouwen. Dan laten wij door de kracht van de genade alles aan Hem over. Dan zoeken wij, ook voor het nieuwe jaar dat wij ingaan, onze sterkte in stilheid en vertrouwen, naar het woord van de dichter:
Doch gij, mijn ziel, het ga zo ’t wil,
Stel u gerust, zwijg Gode stil;
Ik wacht op Hem, Zijn hulp zal blijken.
Als wij zó onze weg op de Heere wentelen en op Hem vertrouwen, dan zal ‘Hij het maken’. ‘Hij zal het maken!’
Het ‘maken’ van de Heere
Nu hebben wij wel in het oog te houden, dat dit ‘maken’ van de Heere niet altijd beantwoordt aan wat wij ervan verwachten. Wij hebben te bedenken dat de wegen van de Heere hoger zijn dan de onze, de gedachten van de Heere anders dan de onze. Hoe de Heere het maakt en wanneer Hij het maakt, hebben wij aan Hem over te laten. En dan maakt de Heere het wel met ons, ook als Zijn weg met ons in tegenheden is.
Hij maakt het wel, al zouden wij moeten gaan door de smartelijkste wegen. Hij maakt het wel, ook al neemt Hij van ons ‘de lust onzer ogen’ of het dierbaarste pand.
Weet: Gods verhoring is niet altijd in overeenstemming met ons begeren. Wij weten niet wat goed voor ons is. Maar ook al houdt de Heere de moeilijkste wegen met ons, dan maakt de Heere het goed met Zichzelf! En dat is zalig! Dan laat Hij ons rusten in Zijn doen, en Zijn vrede troost zelfs het zwaarste verdriet en het moeilijkste kruis.
Oproep en troost
O lezers, moge de genade u in het nieuwe jaar worden geschonken om onze weg op de Heere te wentelen en op Hem te vertrouwen. Om dan te ondervinden dat Hij het maken zal.
Leg u dan neer aan de voeten van de Heere om te pleiten op Zijn ontferming, om Zijn afbrekende genade in te roepen, opdat het komt tot volle overgave van uw ziel in de handen van God. Christus is toch gekomen opdat zij het leven en overvloed zullen hebben.
Wanneer u nog voortleeft zonder God, vervreemd van het leven, weet dan dat de tijd van de genade opkort en elke dag de laatste kan zijn. De deur der genade wordt weldra gesloten voor u. En dan… is het te laat, te laat voor eeuwig. Verneder u dan onder de krachtige hand Gods, en Hij zal u te Zijner tijd verhogen.
Hoe veilig weten wij ons bewaard wanneer de vrede van God onze harten en zinnen vervult. Dan kunnen wij onze zorgen aan de Heere overlaten. Hij zal het maken!
Wie maar de goede God laat zorgen
En op Hem hoopt in ’t bangst gevaar,
Is bij Hem veilig en geborgen.
Die redt Hij Godd’lijk wonderbaar;
Wie op de hoge God vertrouwt,
Heeft zeker op geen zand gebouwd.
Moge dit uw ervaring zijn in het nieuwe jaar.
Wijlen ds. N. de Jong
Kerkblad december 2025
Dankbaarheid
Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt.
Genesis 32 :10a
Geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw. Dat is de rechte dankbaarheid, die de Heere van een mens vraagt. Is Jacob zo blij als hij dit zegt? Dat niet, want zijn broer Ezau staat hem aan de andere kant van de Jordaan met twee legers op te wachten. Voorwaar, dat is geen reden tot blijdschap. We zouden dan ook zeggen: “Er valt voor Jacob niets te danken”. Deze blijdschap is iets anders dan dankbaarheid. Blijdschap ziet op de omstandigheden rondom zich, dankbaarheid ziet naar boven. Het zou kunnen zijn, dat u in zware omstandigheden verkeert, zoals Jacob. Geen reden tot blijdschap, maar dan nog is er reden tot dankbaarheid.
Jacob geeft ons hier een beschamende les. Hij gaat er eerst eens op letten wie hij door genade mag zijn en wie de Heere voor hem is geweest. Al is dan de toekomst ook duister en al zou God hem alleen laten tegenover de twee legers van Ezau, dan zal hij nog moeten zeggen: “De Heere is goed geweest”.
Wij kunnen beter de rampen tellen dan de weldaden. Dit verloren en dat geleden. Hier teleurgesteld en daar onze zin niet gekregen. Doch laten we er eens met Jacob op letten met wat we begonnen zijn. “Met mijn staf ben ik over deze Jordaan gegaan”, zegt Jacob, “en nu ben ik tot twee heiren geworden”. Een staf, dat was alles wat hij bezat. Een zwerversstaf. En dat was zijn eigen schuld, want elke weldaad had hij door zijn bedrog verzondigd. Maar hier ziet Jacob wie hij voor God is geweest en wie God voor hem is geweest. Al wat hij meer heeft dan een staf, dat is genade. Met niets begonnen. Al wat hij is, dat is hij door de trouw Gods. Hij zou daarom niets te zeggen hebben indien de Heere nu ophield met wel te doen.
Met wat zijn wij begonnen, lezers? Hadden we meer dan Jacob? Of hebben we meer verdiend? Zijn we ook niet met schuld begonnen? In zonde ontvangen en geboren. Tegen de goedheid Gods is gezondigd. Daarom zo doodarm van onszelf, dat het alles genade is wat we boven de dood ontvangen.
Laten we ook eens terugzien naar onze afkomst. Wie God voor ons is geweest tot op deze dag, en daar tegenover, wie wij voor God zijn geweest. In het licht van Gods goedertierenheden tegenover onze afmakingen kunnen we pas goed ontdekt worden aan onszelf. Dat zal ons alleen kunnen breken. De schuld wordt dan een schuld der dankbaarheid, en die schuld maakt een mens zo doemwaardig voor God.
“Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en trouw”. Hier neemt Jacob een weegschaal om zichzelf af te wegen tegenover de trouw Gods. En dan is er niets van hemzelf bij. Zo veel goeds tegenover zo veel kwaads. We zouden ook kunnen vertalen: “Ik ben te gering”. Dus Jacob wil zeggen “Ik ben er te onwaardig, ik ben er te slecht, ik ben er te zondig voor”. Jacob kon onder zoveel goeds dezelfde niet blijven. Hij moest er onder bezwijken. Die trouw Gods, die trouw. Wie dat woord verstaat, hij moet er onder breken.
Zijt ge ook al geringer geworden dan al de bemoeienissen Gods in uw leven? Waar hebben de weldaden Gods ons gebracht? De Heere vordert dankbaarheid. De weldaden zullen aan de Weldoener moeten verbinden. Zoals die éne melaatse in Christus’ dagen. Hij kwam terug. De ware dankbaarheid gaat terug naar de Heere. Dat is een zeker kenmerk. Dan kunnen we ook dezelfde niet meer blijven. Dan worden we zo vernederd. En dan krijgen we op onze knieën de Heere nodig. Wat is dat een rijk leven in al de armoede. Al staan er dan twee legers voor de deur, het is nog diezelfde God van het verleden. Het wordt een vertrouwen op de Heere, Die Zijn trouw niet teniet doet. In dat verleden ligt er moed voor de toekomst. Maar dat vloeit nu alleen uit de Christus, Die alles moest missen voor Zijn ziel en lichaam. Daarom komt de ware dankbaarheid tenslotte terecht bij het kruis.
Ds. F. Bakker
Bron: Het eeuwige woord – Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)