CGK Katwijk

Christelijke Gereformeerde Kerk te Katwijk aan Zee

Meditatie

Ongeloof na Pasen

“...ik zal geenszins geloven”

Deze woorden komen niet uit de mond van een atheïst, die het bestaan van God loochent. Deze woorden komen ook niet uit de mond van een brute wereldling, die nooit komt in kerk of kluis en die spot met God en Zijn gebod. Deze woorden komen ook niet uit de mond van een vroom kerkmens, die wel de mond vol heeft over God en Christus, maar God noch Zijn Zoon in waarheid kent.

Deze woorden komen uit de mond van een gelovige. En dan nog niet zomaar een gelovige, maar het was er één uit de bekende kring van discipelen van de Heere Jezus. Het was een echt kind van God.

We kunnen hieruit leren, dat kinderen van God, al zijn ze gelovig en al hebben ze geloof, daarom het geloof niet altijd beoefenen.

Het geloof is een gave van God en de beoefening evenzeer. Dat heeft Thomas moeten leren, dat hebben al de discipelen moeten leren en dat moeten alle kinderen van God nog leren.

De Heere Jezus Christus was opgestaan uit de doden. En in het begin kon niemand dat geloven. Hij had het hun duidelijk genoeg gezegd. Vóór Zijn sterven al. Maar niemand had er acht op geslagen. Toen de Heere Jezus gestorven was hadden ze allemaal hoopvol kunnen uitzien naar de morgen van de derde dag. Maar niemand deed dat. Ze zaten allemaal in zak en as als een … ongelovig geslacht.

Dat ze daar zo terneer zaten was niet des Heeren schuld, maar hun eigen schuld. Niemand geve van het ongeloof ooit de Heere de schuld. Degene die het geloof kent, zal dat nooit doen ook. De echte gelovigen moeten van hun ongeloof altijd zichzelf de schuld geven.

De Heere moest er Zelf aan te pas komen en Zich aan hen allen krachtig openbaren, hen de ogen openen, om hen alzo tot geloof te brengen. Toen hun ogen geopend werden, kende de blijdschap ook geen grenzen. Zij waren allen verblijd als zij de Heere zagen. En wie is dat niet als hij de Heere zien mag, met ogen des geloofs? Dan wordt Hij altijd gezien als de Schoonste onder de mensenkinderen, op Wiens lippen genade is uitgestort.

Thomas was dit voorrecht van “de Heere te zien” nog niet te beurt gevallen. Dat was eigenlijk z’n eigen schuld. Want hij was niet op de plaats, waar de Heere Zich aan de discipelen geopenbaard had.

Daar moet een ieder mens maar eens aan denken, wanneer hij of zij, uit moedeloosheid, zich aan de gemeenschap der heiligen onttrekt. Want dan berokkent men zichzelf daardoor een onberekenbare schade. Zie het maar aan Thomas. De anderen deelden in de blijdschap en hij verkeerde nog in droefheid. De discipelen hebben zich beijverd om ’hun broeder’ uit zijn nare gestalte te krijgen. Zij hebben geprobeerd om hem ook tot geloven te brengen. En dat was van hun kant bezien te prijzen. Het kwam uit de liefde voort. En de liefde is mededeelzaam. Maar al hun pogingen leden schipbreuk. Thomas bleef erbij. „Indien ik in Zijne handen niet zie het teken der nagelen en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijne hand in Zijne zijde, ik zal geenszins geloven”.

De Heere moest er bij Thomas ook Zelf aan te pas komen om hem tot geloof te brengen. En dat deed de Heere ook. Doch op Zijn tijd.

Thomas heeft daar acht dagen op moeten wachten. Hij heeft acht dagen door eigen schuld in het donker moeten lopen. Toen kwam de Heere en openbaarde Zich aan hem. Heel apart. Welk een liefde van de Heere Jezus komt hierin tot openbaring. Dat was door Thomas niet verdiend. Vanwege zijn ongeloof had de Heere hem aan zijn lot kunnen overlaten. Dan had Thomas niets te zeggen gehad. Nu kon hij alleen maar zeggen: Mijn Heere en mijn God. Daar heeft Thomas eigenlijk alles mee gezegd. Hij mocht nu door het geloof Jezus “zijn Heere” noemen, Die ook hem gekocht had met de dure prijs van Zijn dierbaar bloed en alzo ook hem Zich tot een eigendom gemaakt had. Hij mocht Hem ook noemen “mijn God”. Daarmede beleed hij zijn Borg ook als “zijn God”. Welk een Borg, welk een Zaligmaker. Een Zaligmaker, Die ook waarachtig God is. Ja, daar kon hij het mee doen. Want Hem was gegeven alle macht in hemel en op aarde.

 

Het paasevangelie is weer verkondigd. Hebben wij ook de Heere gezien? Hebben wij Hem met de ogen des geloofs mogen zien? Want zoals de discipelen Hem hebben gezien, zo kunnen wij Hem niet meer zien. Maar het kan nog wel door het geloof. Nu geldt: Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, namelijk met natuurlijke ogen, en nochtans zullen geloofd hebben. Dat geloof is ook nu nog een

werking Gods. Bij de aanvang en ook bij de voortduur. Niet één van Gods kinderen kan geloven als hij het wil. Nochtans blijft hij voor z’n ongeloof zelf verantwoordelijk.

Zalig toch als de Heere Zich openbaart als de Opgestane, dat is als de levende Christus. Elke openbaring aan de ziel van Hem is er een bewijs van, dat Hij leeft.

Dat kan de één overkomen op de Paasdag. Dan is er stof tot blijdschap, stof om de Heere te loven. Dan wordt het gehoord: Ik heb de Heere gezien. Hij heeft Zich aan mij geopenbaard in het gewaad van de Heilige Schrift. Tijdens het lezen daarvan of tijdens de prediking. Daar is de Heere altijd vrij in. Het is groot als u dit voorrecht Pasen 2022 te beurt is gevallen. Misschien zit ge net als Thomas nog in droefheid terneer. Volhardt dan niet in het ongeloof, maar indien Hij vertoeft, verbeidt Hem. Want al kunt u het niet altijd bekijken, het is en blijft toch waar:

De Heere zal in dit moeilijk leven, Zijn gunst- en erfvolk nooit begeven.

Hij komt op Zijn tijd. Verrassend. Heerlijk als dan de ogen geopend worden en men tot de belijdenis mag komen van Thomas: Mijn Heere en mijn God. Met zulk een Heere en zulk een God kunt ge leven en sterven.

Ds. H.C. van der Ent