14 maart 2026 Bron: Het eeuwige woord - Deel III, Ds. F. Bakker, 8e druk Uitgeverij De Banier (Utrecht)

En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende.<br />
<br />

Mattheus 26:40a

In Gethsémané staat de Christus aan de ingang van Zijn lijden. Hij zag daar de oneindige afgrond der Godsverlating, waarin Hij moest neerdalen. En dat gezicht was voor Hem zo ontzettend, dat Hij in het stof lag te wentelen en dat Hij aan de Vader vroeg om een andere beker. Maar de hemel was dicht en de hel geopend. Gewis, de duivel was aan deze plaats en de Borg heeft het wel geweten. Maar weten is nog iets anders dan ervaren. Nu moet Hij ervaren, wat Hij geweten heeft en dan is een mens maar een mens, als de verschrikkingen van de helse macht hem overvallen.

Hij was ook maar een mens. Hij weet geen raad van angst als Hij daar met bloedzweet in het stof ligt te kruipen. En voor één keertje zoekt Hij steun bij Zijn discipelen. Hij ziet om naar een medemens, die Hem verstaat in Zijn lijden. Waar zoekt een mens het niet in zijn benauwdheden? Maar ach, als hij het niet bij God kan vinden, wat zal hij dan aan een mens hebben? Wie kan een medemens meenemen tot steun in de angsten der hel?

Dat moet ook de Borg ervaren. Hij moest de pers alleen treden, want toen Hij bij Zijn discipelen kwam, vond Hij ze slapende. De hemel dicht, de hel open en de kerk in slaap gevallen. “Ach Petrus, kunt ge dan niet één uur met Mij waken? Ik ben zo alleen en zo dodelijk bedroefd. Ik ben ook een mens van vlees en bloed, en Mijn vlees en bloed willen de weg naar het kruis ook niet”.

Maar Petrus en de anderen konden hun ogen niet open houden. De vijanden waken, de vrienden slapen. Christus sliep in de storm op zee, maar zij slapen in de storm van Gods toorn, in de angsten der hel, aan de rand van de eeuwige afgrond. Het minste wat Hij vragen kon, dat was toch wel, dat zij tenminste wakker bleven als Hij voor hen de doodsangst inging. Doch zelfs dat heeft de kerk nog niet op kunnen brengen tot medeleven met hun Borg.

Hoe moet de mens hier totaal er buiten vallen als het aankomt op het werk der verlossing. Hoe zeer valt het hier te leren, dat er van Gods volk niet de minste verwachting is. Zal een mens verlost kunnen worden, dan heeft hij een Verlosser nodig, die de pers alleen moet treden. Wie geestelijk in de hof van Gethsémané komt, hij wordt daar wel van eigen dunk afgebracht en in zijn hoogmoed gebroken.

Niet de engelen, als bij Jakob in Bethel, maar de duivelen klommen hier op en neder. Maar de Zijnen sliepen, vlak voor de deur van de rampzaligheid. En om de zaligheid van wie gaat het hier? Wiens lot staat er hier op ’t spel? Toch zeker van hen die slapen? Voorwaar, de eerste Adam ligt te slapen als de tweede Adam hem verlost.

Wat een les voor Gods volk. Een zelfvernederende les, een diepe les. Namelijk dat zij alleen verlost kunnen worden als voorwerp van het welbehagen.

Maar o, wonder van genade, de Borg liet zelfs een slapende kerk niet los. Hij nam toch de alsembeker tot eeuwige zoetheid voor hen, die slapende moeten gezaligd worden.

Zij hebben met Petrus wel eens gemeend met Hem de dood in te kunnen gaan. Doch ze moesten leren, dat ze nog niet eens met Hem konden waken.

Ds. F. Bakker

 

Dagtekst

Job 8:20-21

Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand; Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

ANBI | © 2024 CGK Katwijk. Alle rechten voorbehouden.